De levensloop van de Oranje is bijzonder; het schip nam tijdens zijn leven verschillende rollen en gedaanten aan. Van luxe droomschip eind jaren ‘30 gebouwd voor de lijndienst tussen Nederlands-Indië en Nederland, naar hospitaalschip tijdens de Tweede Wereldoorlog. Na de oorlog ‘repatrieerden’ talloze personen met de Oranje van Indonesië naar Nederland op weg naar een nieuw ‘thuis’. De tentoonstelling, opgebouwd uit twee delen, belicht zowel de geschiedenis van het schip als persoonlijke verhalen van ‘gerepatrieerden’. 

Melvyn Burer

Melvyn Burer

Gefotografeerd door Jitske Schols

Melvyn Burer woont met zijn ouders en zusje in Bogor, waar zijn vader een gemeentelijke kredietbank in beheer heeft.Pembantu Mina is als een tweede moeder voor Melvyn. Zij beschikt over veel informatie en vertelt zijn vader op een goed moment: ‘Mijnheer Burer, u kunt beter maken dat u weg komt, want ze zijn bezig een aanslag op u te beramen.’ Dat is eind 1952. De Darul Islam wil iedereen die iets met Europa te maken heeft uit Indonesië weghebben. De ouders van Melvyn maken er werk van zo spoedig mogelijk naar Nederland te vertrekken. Op de Oranje reist het gezin in de derde klasse, onder in het schip. ‘Bij storm en hoog water zit je dan eigenlijk een gedeelte onder de waterlijn. Op een gegeven moment zag ik vissen voorbij de patrijspoorten zwemmen!’ Eenmaal in Nederland wacht het gezin opvang in een contractpension, waar hen Nederlandse gewoonten en gebruiken worden opgelegd. ‘De repatriëring heeft diepe sporen nagelaten’, vertelt Melvyn Burer. ‘Als kind heb je geen keus. Je moet wel mee, je moet je aanpassen. Ik heb er een beetje een rebels karakter aan overgehouden.’

Het Scheepvaartmuseum maakt gebruik van cookies. Meer weten? Lees onze cookieverklaring.