Portugese zeelieden waren in de 16de eeuw de eerste Europeanen die op de West-Afrikaanse kust handeldreven. Daarbij maakten zij geen gebruik van muntgeld, maar van de spreekwoordelijke ‘spiegeltjes en kralen’. Hun assortiment van ruilgoederen bevatte echter ook koperen of messing armringen of manilla’s.

Onterecht worden manilla’s (Portugees voor armring) tegenwoordig bestempeld als slavenarmbanden. De ringen hadden wel degelijk met mensenhandel te maken, maar werden zelden gedragen: ze dienden in Afrika als betaalmiddel voor de aankoop van tot slaaf gemaakte Afrikanen.

De eerste manilla’s werden gegoten in koper of messing en geproduceerd in Duitsland, Oostenrijk en Hongarije. De Portugezen importeerden de ringen in grote hoeveelheden over land om ze vervolgens te gebruiken in hun overzeese handelsnetwerk. De afzetmarkt van de manilla’s lag in het kustgebied van de Golf van Guinee, het huidige Ghana, Togo, Benin en Nigeria. In de periode van 1504 tot 1507 werden alleen al naar het Portugese slavenfort São Jorge da Mina, ook bekend als Elmina, honderdduizend manilla’s gebracht.

Een volwassen persoon kostte in Benin in de jaren negentig van de 15de eeuw twaalf tot vijftien grote manilla’s. Naar mate de Portugese vraag groeide, stegen de prijzen snel. In 1517 werden er al 57 grote manilla’s voor een volwassene neergelegd. De ringen werden door de Afrikaanse bevolking grotendeels omgesmolten tot kunstvoorwerpen die verkocht werden of aan hooggeplaatste personen werden gegeven.

Toen andere Europese landen het Portugese voorbeeld volgden en zelf handel gingen drijven op de West-Afrikaanse kust, kregen ook zij de ringen in het vizier. Frankrijk, Engeland en Nederland voegden de ringen toe aan hun handelswaar. Pieter Marees schreef tussen 1600 en 1602 in de allereerste Nederlandse beschrijving van de WestAfrikaanse handel dat de Nederlanders er al mee handelden. Hij schreef verder over de Nederlandse handelaren in Benin-stad: ‘Tinnenwerck gebruycken sy ooc altemets, als tinne arm ringen, maer niet in groote menichten (…)’.

Manilla’s, bronzen armbanden (circa 1700). Hoogte circa 6 cm. Collectie Het Scheepvaartmuseum.

Blijkbaar was het Nederlandse aandeel in de manillahandel aanvankelijk niet zo omvangrijk als die van de andere Europese landen. Later zou de West-Indische Compagnie (WIC) en de particuliere Middelburgse Commercie Compagnie (MCC) de mensenhandel met de ringen financieren. Zo is er op een marktbrief van de WIC op de kust van Guinee uit 1713 te zien dat er om toezending van ‘vier pond gladde armringen’ en ‘vier pond ruwe armringen’ werd gevraagd.

Uit de cargazoenboeken (ladingsdocumenten) van de MCC blijkt dat de ringen ook bij dit bedrijf veelvuldig deel uitmaakten van de scheepslading voor Afrika. Tot voor kort werd algemeen aangenomen dat de voorwerpen alleen met de Atlantische handel te maken hadden, maar een vondst van enkele manilla’s in het wrak van het VOC-schip Batavia op weg naar Azië - dat voor de Australische kust verongelukte - laat zien dat het afzetgebied misschien wel groter was dan voorheen werd gedacht.

Door de eeuwen zijn enorme hoeveelheden manilla’s geproduceerd. Zo veel zelfs dat ze in de loop van de tijd een algemeen geaccepteerd betaalmiddel werden in West-Afrika. Toen de Nigeriaanse regering daar in 1948 vanaf wilde en gebood de manilla’s om te ruilen voor muntgeld, hielden veel Nigerianen een deel van de ringen achter de hand. Ze werden omgesmolten in producten die meer waard waren, zoals dat al eeuwen werd gedaan.

De voorwerpen, die de prijs van een mensenleven vertegenwoordigden, herinneren ons nog aan een beladen geschiedenis en laten de keerzijde van de Europese handel onverbloemd zien. Het Scheepvaartmuseum in Amsterdam heeft drie manilla’s in de collectie, waarvan er één momenteel te zien is in de tentoonstelling Republiek aan Zee.

auteur: Geke  Burger

Dit artikel verscheen eerder in Vind Magazine. 

Het Scheepvaartmuseum maakt gebruik van cookies. Meer weten? Lees onze cookieverklaring.