Terugdenkend aan de tijd van prachtig gebouwde schepen, donker zwaar hout en lange wapperende grote vlaggen voel je de euforie en trots. De zeevaarders zes eeuwen geleden moesten stoere onbevreesde mannen zijn geweest met een immense drang naar avontuur en zee. Helden die huis en haard achterlieten om de wereld te begrijpen en nieuw land te ontdekken.

Naar zee gaan

Ondanks het stoere imago van deze zeemannen was het 'naar zee gaan', niet voor iedereen een keus. Veel van de bemanning op schepen als De Heemskerck, De Zeehaen en De Batavia kwamen aan boord vanuit pure wanhoop. Geen huis, geen kennis van taal en schrijven en weinig kans op een goede toekomst zorgden voor jonge zeevaarders in de naam van de Verenigde Oost Indische Compagnie. De meeste mannen tekenden voor een periode van drie jaar, zonder te weten of ze ooit hun eigen land weer zouden zien. Wat waren de grootste gevaren aan boord van een VOC-schip? Was het de zee zelf? Het leven aan boord? Of het onbekende land met wellicht minder gastvrije inheemse stammen?

De zee brengt rust

Voor veel zeevaarders bracht de zee rust. Hoe verder uit de kust, hoe 'veiliger' de zee wordt. Dat betekende minder kans op onverwachte rotsen of ondiep land waar het schip per ongeluk op zou kunnen vastlopen. Het betekende een vast patroon aan golven die op een bekend ritme onder het schip doorrolden zonder plotselinge grote diepteverschillen zoals je voor de kust van nieuw land kon hebben. Deze diepteverschillen creëren grote, hoge golven, met alle gevolgen van dien voor de uitrusting van het schip. Ook geldt: hoe verder uit de kust, hoe voorspelbaarder de wind. Dat was een welkome afwisseling van het zeilen onder de kust, waar windstromen bepaald worden door de grillige temperatuursveranderingen en luchtdruk aan land.

Hoe verder uit de kust, hoe 'veiliger' de zee wordt. Dat betekende minder kans op onverwachte rotsen of ondiep land waar het schip per ongeluk op zou kunnen vastlopen.

Een broedplaats voor ziektes

Kortom: de zee was zo slecht nog niet. Het heeft lang geduurd voordat de bemanning zich besefte dat de grootste gevaren aan boord, van land kwamen. In de vijftiende eeuw was er weinig bekend over hoe ziektes zich verspreidden en over hoe kleine kiemen konden uitgroeien tot een volledig gekwelde bemanning. Een schip was een broedplaats voor ziektes, omdat iedereen gezamenlijk op een kleine ruimte leefde en er geen plek was om beter te worden voordat je de rest van de crew aanstak. Dood en verderf leefden samen met de bemanning onder dek. Alleen de sterksten overleefden, in combinatie met een beetje geluk. Na een tocht van honderden dagen was geen enkele sterke matroos meer de man die hij was toen hij aan boord kwam. Uitputting, ondervoeding en slaapgebrek waren het recept voor aftakeling. Het voedsel aan boord van VOC-schepen, was eenzijdig en had een groot gebrek aan vitamines en voedingswaardes.

Scheurbuik

Een groot mysterie was de enge ziekte die zorgde voor bloeduitstortingen op benen, in de mond en op de armen. De bemanning klaagde over stijve ledematen en kreeg bloedend tandvlees. Dit was het begin van het einde: de scheurbuik zou interne bloedingen veroorzaken waar de zeevaarder aan zou komen te overlijden. Creatieve scheepsartsen ontdekten aan wal van aangedane plaatsen al snel dat citroenen hielpen bij herstel van deze ongekende ziekte. Deze huis-tuin-en keuken oplossing was lange tijd een grap voor gerenommeerde wetenschappers. Zij waren er tot zelfs laat in de zeventiende eeuw van overtuigd dat scheurbuik een gevolg was van bloedcirculatieproblemen. Het was pas halverwege de achttiende eeuw dat Engelse marine artsen bewijs vonden voor vitamine C als ware heler in de strijd tegen scheurbuik.

De naam scheurbuik komt van het Latijnse 'Scorbus', dat weer refereert naar ascorbinezuur, de stofnaam van vitamine C. Pas tijdens zeereizen in de achttiende eeuw werden ingelegde groenten zoals zuurkool meegenomen. Die bleken ook vol vitamine C te zitten en langer houdbaar te zijn dan de citrusvruchten die tot dan toe als enige medicijn werden gezien. Dit bleek later een belangrijk levensreddend inzicht voor de bemanning aan boord.

Hedendaags rantsoen

Vandaag de dag is het leven aan boord nog steeds niet luxe. Deelnemers aan oceaanraces weten dat elke kilo aan boord telt: hoe lichter de boot, hoe sneller je gaat. Dat betekent drie simpele maaltijden per dag, die weliswaar bomvol voedingstoffen zitten maar niet zeer smakelijk zijn. Dit gevriesdroogde astronautenvoer wordt aangelengd met water en als je geluk hebt krijg je het warm geserveerd in een plastic bakje, voordat je het met zeewater zelf mag afspoelen. Fruit meenemen aan boord van lange zeereizen is nog steeds geen optie, maar gelukkig neemt een vitaminepil weinig ruimte in. Onze kennis over vriesdrogen en conserveren is gelukkig met sprongen vooruit gegaan, maar het leven aan boord blijft soms een kwestie van afzien…

Het Scheepvaartmuseum maakt gebruik van cookies. Meer weten? Lees onze cookieverklaring.