/>

Aan de steiger van Het Scheepvaartmuseum ligt het stoomschip Christiaan Brunings, een ijsbreker uit 1900. Het varende schip kwam in 1968 bij het museum als voorbeeld van schepen uit het stoomtijdperk. 

De Christiaan Brunings wordt nog steeds onderhouden en gevaren door een groep vrijwilligers. Tegenwoordig is de Christiaan Brunings het oudste schip dat nog op steenkool vaart. Wel probeert het museum nu verschillende hernieuwbare vaste brandstoffen uit op het schip. Het schip is nu aan groot onderhoud toe. Help jij mee de Christiaan Brunings op stoom te houden? Doneer dan tijdens de crowdfundingcampagne!

Crowdfunding Christiaan Brunings

Dit onderdeel gebruikt cookies

Accept cookies
Informatie & instellingen

Stoomschip Christiaan Brunings

De Christiaan Brunings is als ijsbreker gebouwd in 1900 in opdracht van Rijkswaterstaat. Het schip heeft een opvallend luxe voorsalon. Die was bedoeld voor de ambtenaren van Rijkswaterstaat. Tegenwoordig lijkt het verschil tussen de salon en de rest van het schip wel erg groot, maar in het begin van de twintigste eeuw was dit normaal; het laat het verschil in standen in de Nederlandse maatschappij van die tijd zien. De ijsbreker werd vernoemd naar Christiaan Brunings, een Nederlands waterbouwkundige, die wordt gezien als de grondlegger van Rijkswaterstaat.

Het verhaal van de Christiaan Brunings

De ijsbreker Christiaan Brunings werd in 1900 te water gelaten. Dit gebeurde echter zonder zijn officiële naam. Door een bureaucratische fout werd de officiële naam, Christiaan Brunings, niet op tijd goedgekeurd. Daarom ging het schip te water met de tijdelijke, en wel heel zakelijk naam: De IJsbreker anno 1900. Gelukkig werd deze snel aangepast naar de Christiaan Brunings.

de Christiaan Brunings in 1900 na de tewaterlating bij de werf van J.F. Meursing

De dubbele functie van de Christiaan Brunings

Rijkswaterstaat liet de Brunings bouwen als ijsbreker maar ook als directievaartuig.Dat betekent dat het schip ook werd gebruikt om toezicht te houden op de uitvoering van waterstaatswerken en voor het doen van metingen. Die dubbelfunctie was een puur praktische ingeving. Waarom zou je een ijsbreker het grootste deel van het jaar werkloos laten liggen? De overheid had goede ervaringen met de Achilles (1894) die op dezelfde manier werd ingezet.

Geschiedenis van de ijsbreker

IJsbrekers bestaan al sinds de 17de eeuw. Op tekeningen van toen zijn ze te zien: door (soms wel twintig!) paarden voortgetrokken, houten schepen met een oplopende boeg en een platte steven met ijzerbeslag. Telkens wordt de boeg iets op het ijs getrokken, waarna het ijs breekt onder het gewicht. Wat dat betreft is er weinig veranderd. IJsbrekers kregen vooral steeds meer pk's.

Een ijsbreker in eigen bezit

Tot de bouw van de Achilles en de Christiaan Brunings huurde Rijkswaterstaat sleepboten van particulieren als ijsbrekers. Die sleepboten waren niet gebouwd om ijs te breken en raakten dus vaak beschadigd. Het herstel moest door Rijkswaterstaat worden betaald.  Kostenbesparing was de voornaamste reden om zelf echte ijsbrekers te gaan bouwen. IJsbestrijding was toch al een vaste overheidstaak geworden, als een van de cruciale maatregelen die in de tweede helft van de 19de eeuw werden genomen om dijkdoorbraken en overstromingen tegen te gaan.

Machinekamer van de Christiaan Brunings

Wie bouwde ijsbreker de Christiaan Brunings

Rijkswaterstaat besteedde  de bouw van de ijsbreker aan. Er ging een verzoek naar vijftien verschillende werven uit om een prijsopgave te maken voor de bouw. Jan Frederik Meursing kwam met de laagste prijsopgave van 49.400 gulden. Hij garandeerde ook nog eens het laagste kolenverbruik per paardenkracht. Echter betekende de opdracht voor Meursing een grote financiële strop. Hij kon zijn lage offerte niet waarmaken en maakte een verlies van 12.000 gulden op de ijsbreker. Meursing had ervaring met het bouwen van stoomschepen, maar dit was zijn eerste ijsbreker. Hij kreeg van Rijkswaterstaat een uitgebreid bestek en verdiepte zich in technische tekeningen van vergelijkbare schepen.Zijn 'teekenkamer' stuurde uiteindelijk 24 bouwtekeningen voor goedkeuring naar Rijkswaterstaat. Alles lag vóór de bouw vast en dat is bijzonder voor die tijd; schepen werden vaak nog 'op het oog' gebouwd.

Speciale details van de Christiaan Brunings

De Christiaan Brunings zou een 'oploper' worden, een schip met een sterk oplopende boeg en aan de voorzijde een diepgang van slechts 20 centimeter. Een van de eisen die Rijkswaterstaat stelde was dat de vorm van de boeg anders moest zijn dan die van de Achilles, die nogal last had van overslaand boegwater. Het achterschip moest zo worden gebouwd dat het losgeslagen ijs zo weinig mogelijk in de schroef kon komen. De voor- en achterpiek kregen ballasttanks die met water konden worden gevuld om het schip te trimmen (rechtleggen in het water). Een stoomleiding zorgde ervoor dat de ballasttanks niet konden bevriezen.