“Vroeger had je de ‘dijkers’ en de ‘pleiners’. De pleiners waren de intellectuelen en de studenten. De dijkers waren de arbeiders. Ik voelde mij nergens bij horen. Ik was een straatventje van Wittenburg.” Hein Visbeek (Amsterdam, 1938) vertelt met een rasecht Mokums accent over zijn jeugd in de oude scheepvaartbuurt van Amsterdam. Voordat hij naar zee ging, loodste hij zijn twee jongere zusjes door de oorlog. De Hongerwinter staat hem bij als de dag van gisteren."
 

“Ik was een jaar of zes en zie mijn kleine zusjes nog voor me. Met die dikke ronde buikjes van de honger. Er was helemaal niets. Soms deelden we een kannetje melk dat ik had gebietst bij de melkboer. Mijn vader was tijdens de oorlog getorpedeerd op zee en moeder werkte vanaf zes uur ’s ochtends in de sigarettenfabriek op Bickerseiland.” Hein Visbeek is een leergierig mens; na zijn pensioen studeerde hij nog culturele wetenschappen. De jonge Hein daarentegen, hield niet van de katholieke jongensschool waar de paters de kinderen geregeld afranselden. “Ik wilde weg!” herhaalt de heer Visbeek drie keer nadrukkelijk. 

Ketelbinkie

Met steun van het Prinses Margriet Fonds ging hij op zijn veertiende naar het Matrozen Instituut. “Na een jaar maakte ik mijn eerste reis, in 1953. Ik hing twee dagen over de reling. Ik ben zó zeeziek geweest, ik bleef maar overgeven. Tot er niets meer uit kwam. Als lichtmatroos, of ‘ketelbinkie’ maakte ik de hutten schoon en zorgde ik dat de bemanning kon eten. Dan schreeuwden ze: ‘Zeun! Bijrije!’ en moest ik terug naar de kombuis voor een nieuwe ketel eten.” Je hoort nog de opwinding in zijn stem als hij vertelt over zijn eigen maaltijden aan boord: “We kregen soep vooraf! En een toetje. Een toétje.” Visbeek vertelt dat hij tot die tijd vooral schillensoep had gegeten. Dit was ongekende luxe voor een kind uit de oorlog. 

Een dikke peer

“Je wilde zo snel mogelijk matroos onder de gage worden. Je wilde meekijken, leren en opklimmen, en zelf ‘Zeun!!’ gaan schreeuwen.” In die functie begon zijn reis op de Oranje van Tandjong Priok naar Amsterdam. Maar de heer Visbeek stond ook geregeld aan het roer van het schip. “Dat was vreselijk.” Hein Visbeek maakt met wapperende bewegingen een V-vorm. “Een normaal schip ziet er zo uit en de Oranje, nou die zag er zo uit.” Hij schetst de vorm van een peer in de lucht. “Dat schip was dik en ging alle kanten op. Bovendien was het saai hoor, aan het roer staan. Je stond uren te turen naar helemaal niks. Af en toe schreeuwde er iemand iets door die lulslang [telegraaf] en dat was het.”

Hein Visbeek

Hein Visbeek

Foto gemaakt door Rose Ieneke van Kalsbeek, 2018

Een ruim vol 

Al jong maakte de heer Visbeek kennis met mensen van over de hele wereld. Zo voeren er vanaf Bali honderden mensen die op hadj gingen mee. “Het ruim zat propvol Mekkagangers. Overal waren kleine kookstelletjes en maakten mensen hun eigen rommeltjes. Dat smaakte trouwens fantastisch! Maar het was ook gevaarlijk. Ik heb daar extra brandslangen uitgerold om er zeker van te zijn dat de boel niet de fik in zou gaan.” Die bonte ontmoetingen vond het – zelfbenoemde – Amsterdamse straatschoffie mooi. “Daarom was het Suezkanaal doorsteken ook zo leuk. Mensen kwamen in kleine bootjes langszij om eten en spullen te verkopen.”
Niet alle ontmoetingen waren gezellig. De heer Visbeek toont een oud en bijna uit elkaar gevallen walpasje: “In Argentinië stonden ze je aan de kade op te wachten met mitrailleurs en mocht je al je vingerafdrukken achterlaten voordat je daar een biertje kon drinken in de kroeg.” Helsinki was favoriet. Mijmerend zegt Hein Visbeek: “De meisjes waren daar zo mooi he?” Je ziet de pret nog in zijn ogen.

Discipline en plezier

De heer Visbeek voer liever ‘op de vracht’ dan op passagiersschip Oranje: “ik hield meer van de boerensfeer aan boord.” Hein Visbeek noemt zichzelf nuchter, maar uit alles blijkt dat hij veel gevoel had voor zijn omgeving. “Het Indonesische personeel voelde zich niet op hun gemak hoor, aan boord, ’s avonds trokken ze zich terug of ze zaten uren in de bidruimte. Veel Nederlanders vonden toch dat Indonesië van ons was, ook na de onafhankelijkheid.”
Hein Visbeek heeft uiteindelijk elf jaar met veel plezier gevaren. “Als kind had ik mijn pa niet. Ik moest overleven. De tijd op zee heeft mij discipline bijgebracht en respect voor anderen. Ik was niet groot van stuk. Maar ik zei altijd: ‘grootsheid zit niet in iemands gestalte.’ Ja, ik zou niks anders doen, het was een mooie tijd die mij voor het leven gevormd heeft.”

Wil je meer persoonlijke verhalen lezen van opvarenden? Bezoek dan de tentoonstelling: 
ms Oranje | Koers gewijzigd.

Het Scheepvaartmuseum maakt gebruik van cookies. Meer weten? Lees onze cookieverklaring.