Menig zeevaarder heeft er in de Gouden Eeuw van gedroomd: maar de zee laat zich niet vangen. En dat kwam de Nederlanders in die tijd eigenlijk prima uit.

Woel met je vingers door het zand en schep twee handjes vol: pas als je vingers wijken, zal er zand wegglijden uit je zelfgemaakte kommetje. Schep twee handjes water: het zal je niet lukken om je handen vol te houden. Water vindt altijd een weg. Niets is zo vluchtig en zo eigengereid als water. Probeer je landsvlag maar eens te prikken in een golf, of in een hele oceaan. Mensen hebben altijd de behoefte gehad zichzelf iets toe te eigenen. Menig zeevaarder heeft er in de Gouden Eeuw van gedroomd: maar de zee laat zich niet vangen. En dat kwam de Nederlanders in die tijd eigenlijk prima uit.

In hetzelfde schuitje

Bij de oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie was de doelstelling duidelijk: het tot stand brengen en bevorderen van handel met Azië. De Nederlanders hebben nog enige tijd geprobeerd een doorgang te vinden via de Noordpool naar Azië, maar kwamen na drie mislukte pogingen en de erbarmelijke overwintering op Nova Zembla tot de conclusie dat ook zij via Kaap de Goede Hoop richting de Oost moesten varen. De wind onder Zuid-Afrika kwam vaak uit een gunstige richting en de vloot van de Nederlanders was er klaar voor. Zeil technisch gezien was er dus geen vuiltje aan de lucht. Het voornaamste probleem was de aanwezigheid van de Spanjaarden en de Portugezen. Zij waren eerder dan de Nederlanders op het idee gekomen om de wereld per schip te verkennen. In 1494 was paus Alexander VI duidelijk over van wie de niet-Europese wereld was: in het Verdrag van Tordesillas werd grofweg bepaald dat het Westen van de Spanjaarden was en het Oosten van de Portugezen. Met uitzondering van Brazilië. Dat werd ook toegewezen aan de Portugezen. Op weg naar Azië mengden de Nederlanders zich dus letterlijk in het vaarwater van de Portugezen. Je kan je voorstellen dat de Nederlanders niet zomaar werden toegelaten op dezelfde handels- en vaarroutes op weg naar het Aziatische goud in de vorm van specerijen en porselein.

De Zeeslag bij Gibraltar in 1607. Van Wieringen. Collectie Het Scheepvaartmuseum.

Ruzie in Straat Malakka

Een jaar na de oprichting van de VOC, in 1603, gaat het al mis in Straat Malakka. Dit was, en misschien wel is, een van de meest belangrijke scheepvaartroutes ter wereld. Het brengt de Indische en Stille Oceaan samen en vormt de verbinding met Aziatische landen als China, Japan en Taiwan. Deze zeestraat tussen Maleisië en Indonesië zorgt ervoor dat schepen niet om hoeven te varen onder Indonesië door, wat vele mijlen scheelt. De ‘Mallacamax’ bepaalt welke schepen er heden te dagen doorheen kunnen. De diepgang van de straat blijft steken op 25 meter, waardoor niet al het verkeer toegelaten wordt in de straat die voordeel oplevert op een nog steeds actuele handelsroute.            

Op 25 februari vaart de Nederlandse Admiraal Jacob van Heemskerck met nog twee andere Nederlandse schepen door Straat Malakka. Van Heemskerck maakte onderdeel uit van de tochten naar de Noordpool en had Nova Zembla overleefd. Hij was dus vastberaden de luxegoederen uit Azië naar Nederland te halen. Hij en zijn vloot komen het Portugese schip Santa Catarina tegen en besluiten het schip buit te maken. Ze kapen het schip en nemen de vracht over. De Santa Catarina was flink beladen met onder andere zijde en porselein uit China en Japan en in Amsterdam werd de buit voor veel geld verkocht. De kaping leidde tot onenigheid binnen de VOC. Veel aandeelhouders verafschuwden de daad en vonden dit niet de manier om rijkdom te vergaren. Handel drijven was goed, maar niet met wreedheid en geweld. De discussie werd zo groot, dat er zelfs gesproken werd over een afscheiding binnen de Compagnie. Ontevreden aandeelhouders praatten over een eigen compagnie in Frankrijk.

De onenigheid was begrijpelijkerwijs ongewenst en de aanval op de Santa Catarina moest kunnen worden uitgelegd, of liever nog, gerechtvaardigd. En dan maar beter achteraf dan helemaal niet was het devies. Dit werd lastig aangezien de Portugezen in de eerste plaats van mening waren dat de Nederlanders daar niet eens mochten zijn, los van de kaping. De Paus had immers bepaald dat dit gebied van de Portugezen was. De wens van de VOC was duidelijk: het akkefietje met de Portugezen moest worden gesust, en wel door de knappe kop Hugo de Groot.  En Van Heemskerck? Die sterft vier jaar later tijdens de Zeeslag bij Gibraltar tegen de Spanjaarden, waar het twaalfjarig bestand wordt afgedwongen. Hier werd de basis gelegd voor de wapenstilstand ten tijde van de Tachtigjarige oorlog. Van Heemskerck werd de eerste zeeheld die op kosten van de staat begraven werd in Amsterdam.

Portret van Jacob van Heemskerck, foto Bart Lahr. Collectie Het Scheepvaartmuseum.

Alleskunner Grotius

Hugo de Groot. Komt de naam je bekend voor? Misschien van het Hugo de Groot plein in Amsterdam? Of van het bronzen standbeeld op de Markt in Delft? Misschien doet anders de naam Hugo Grotius een belletje rinkelen. Dit was de zelfbedachte, meer chique Latijnse naam van de in Delft (1583) geboren rechtsgeleerde die meer indruk maakte onder wetenschappers dan het platte Hollands. Na zijn studie in Leiden maakte hij promotie in de rechten in Orléans. Hugo was een echte studiebol en blonk uit in zijn vak. Al op veertienjarige leeftijd publiceerde hij zijn werken voor groter publiek. Hij had het vak met de paplepel ingegoten gekregen. Zijn vader had hem al op kleuterleeftijd bekend gemaakt met de klassieker uit de wetenschap. Vlak voor de eeuwwisseling startte hij zijn loopbaan als advocaat en schopte het al snel tot advocaat-fiscaal, of openbaar aanklager, bij het Hof van Holland en de Hoge Raad. Een aardige carrière die hij aanvulde met bekendheid als dichter, historicus, filoloog en theoloog. Een bezig bijtje dat in 1608 de tijd vond om te trouwen met de Zeeuwse Maria. Kortom: zijn juridische werken hadden vooral betrekking op de vrijheid, de strijd voor zelfstandigheid en de economische ontwikkeling van de toen jonge Republiek. En dat is precies waar de VOC Grotius voor nodig bleek te hebben.

Mare Liberum

De Portugezen vonden de daad van de Nederlanders illegaal. Dit vonden Nederlanders op hun beurt weer grote onzin. Als je iets doet wat -al dan niet in de ogen van iemand anders- illegaal is, kan je twee dingen doen. 1. Boete doen. Of 2: Een wet schrijven die zegt dat het niet illegaal is. Grotius ging voor het laatste. Hij schreef het: Mare liberum, een werk dat gebaseerd was op zijn eerdere De jure praedae. Het werd wijd verspreid en omarmd. Kortgezegd betekende dit: de vrijheid van de zee, of in het Engels wat een stuk lekkerder bekt, The Free Sea. Dit concept stelde dat de zee internationaal territorium was, vrij toegankelijk voor alle naties om te bevaren en om handel te drijven. Hugo de Groot omschreef dit extra duidelijk in vier punten:

  • Oost-Indië was toegankelijk voor alle landen.
  • Religie is geen grond voor bezetting of voor het tegengaan van handel.
  • Het bevaren, of als eerste ontdekken, van kustwateren geeft geen rechten tot het land,  ook zijn donaties van de paus niet rechtmatig.
  • Er kan geen exclusief handelsmonopolie bestaan door welk land dan ook.

Samengevat: de zee is niet te bezetten (‘occupatio’), want de zee is van iedereen (‘res communis’). Dit gold volgens Grotius ook voor de lucht. Daarmee besloot de VOC dat de Portugezen geen recht van soevereiniteit hadden en dat zij niet alleen in Straat Malakka hadden mogen varen, maar ook de Santa Catarina hadden mogen kapen omdat de Portugezen een illegaal monopolie hadden ontwikkeld en Nederland met hen in oorlog was. Oorlog en illegaliteit waren gerechtvaardigde redenen voor kapingen. Zó: opgelost, Grotius had zijn taak volbracht.

Het mes snijdt aan twee kanten

Het verbod op een monopolie was afgedwongen. De vrijheid gold voor iedereen. Dat bracht de Nederlanders wat ze wilden, maar het mes snijdt altijd aan twee kanten. Het werd druk: op het water was genoeg ruimte over voor een derde partij: de Engelsen! De concurrentie was groot en iedereen probeerde een graantje mee te pikken waardoor de zee uiteindelijk een slagzee werd. Inmiddels werd er niet alleen maar geruzied om de vaarroutes in en naar Azië, de Noordzee was ook het strijdtoneel geworden van de nodige zeeslagen. De Engelsen vonden de steeds breder gedragen hersenspinsels van Grotius maar niks: de Nederlanders voeren langs hún kustwateren en visten de halve Noordzee leeg.

Mare Clausum

Er ontstond een Brits tegengeluid. Mare Clausum. Je hoeft geen Latijn te spreken om te kunnen raden dat dit de gesloten zee betekent. John Selden maakte in zijn gelijknamige boek gehakt van Grotius’ Mare Liberum. Volgens hem kon de zee wel degelijk worden verdeeld en konden er grenzen worden getrokken. Hij legde de grens op honderd mijl uit de kust. Dat betekende dat er sprake was van eigen land, eigen kust en eigen zee. Gedeeltelijk was hij het wel eens met Grotius, hij stelde namelijk dat een oceaan, de meest vrije zee was die er bestond en dat daar geen rechten aan verleend konden worden en dat er ook vrij gevist mocht worden. Tot ver in de twintigste eeuw waren er grote verschillen in de afstanden van de territoriale watergrenzen: het ene land hanteerde twaalf mijl, een volgende tweehonderd en er waren nog landen die de oude drie mijl aanhielden. De drie mijl was ontstaan vanuit de afstand die een kanonskogel zou kunnen overbruggen. Erg verwarrend. Het zou tot 1994 duren voordat de Verenigde Naties in het VN-zeerechtverdrag uiteindelijk tot twaalf zeemijl* zou komen. 160 landen kwamen tot een consensus.

Let u wel: * gemeten vanaf de laagwatergrens. Laat daar geen misverstanden over ontstaan!

Mare Liberum. Het portret van Hugo de Groot is zichtbaar op de spiegel van het schip. Onderaan een gedicht van Vondel.

En de cirkel is rond

Waar de VOC zich eeuwen geleden druk maakte om handelsbelangen, is er eeuwen later weinig veranderd. Na de Brexit maakt de Europese Unie zich zorgen om de handel met Engeland en moeten nieuwe afspraken worden gemaakt over wat wel en niet wordt aangepast in het concept ‘vrije doorvoer en handel van goederen en personen’. Met gepaste ironie zal ook de Nederlandse visvangst voor de Engelse kust wederom ter discussie staan. En ook hier zullen ongetwijfeld een aantal slimme rechtsgeleerden aan tafel zitten om recht te praten wat krom is. De vraag is vierhonderd jaar later nog steeds dezelfde: Wanneer ‘is’ iets van iemand? Als je de eerste bent? Als je je naam erop plakt? Of als je er een muur om heen bouwt?

De VOC retourvloot op de rede bij Batavia. A. Willaerts. 1649

Koopvaardijschepen en galjoenen bij Bantam. 1603.

Dit artikel verscheen eerder in het tijdschrift Zeilen.

Het Scheepvaartmuseum maakt gebruik van cookies. Meer weten? Lees onze cookieverklaring.