/>

De foto’s die consul Dirk De Graeff van Polsbroek tijdens zijn verblijf in Japan (1857–1869) verzamelt en bundelt in drie albums behoren tot de vroegste van het land. Zonder zelf te fotograferen heeft de Nederlandse diplomaat een aandeel in de totstandkoming van die vroege foto’s. 

Na een stormachtige reis ankert de Anna Digna op 24 juli 1857 om zeven uur ’s morgens aan de ‘Papenberg’ voor de ingang van de baai van Nagasaki. Aan boord bevindt zich de 23-jarige Dirk de Graeff van Polsbroek, telg uit een Amsterdamse regentenfamilie. In de ruim elf jaar dat hij in Japan verblijft, klimt hij op van administratief assistent tot minister-resident, een functie vergelijkbaar met die van een huidige ambassadeur. De foto’s die De Graeff tijdens zijn verblijf verzamelt en bundelt in drie albums, behoren tot de vroegste van Japan. Zonder zelf te fotograferen heeft de Nederlandse diplomaat een aandeel in de totstandkoming van die vroege foto’s.  

Van Dejima naar Yokohama

Dirk de Graeff van Polsbroek (1833–1916) streek neer op het schiereilandje Dejima, waar hij was benoemd tot assistent 2de klasse van de commissaris van de Factorij van de Nederlandse handel, Jan Hendrik Donker Curtius (1813–1879). Een hoogtepunt tijdens De Graeffs eerste jaren in Japan was ongetwijfeld de vijf maanden durende hofreis naar Edo, het huidige Tokio, voor het officiële bezoek aan de shogun – de hoogste militaire leider en feitelijke machthebber van het land – die hij in 1858 met Donker Curtius ondernam. Toen Japan in juli 1859 de havens van Nagasaki, Yokohama (Kanagawa) en Hakodate openstelde voor buitenlandse handel, verruilde De Graeff Dejima voor Yokohama (Kanagawa). Daar huwde hij Koyama Ochō, dochter van een theehandelaar, met wie hij een zoon kreeg, Pieter (1861–1909). Yokohama zou in korte tijd uitgroeien tot hét westerse politieke en commerciële centrum van Japan, terwijl Nagasaki – en daarmee ook Nederland – zijn vooraanstaande positie geleidelijk verloor.

De twee oudste foto’s in de albums van De Graeff, markeren die verschuiving op bijna symbolische wijze. Vlak voor De Graeffs vertrek uit Dejima eind juni 1859, fotografeerde de Britse consulair medewerker Abel Anthony James Gower (1836–1899) de baai van Nagasaki. De foto (een zoutdruk) toont op de voorgrond de Myōgyōji-tempel, waar het Britse consulaat zich eerder die maand had gevestigd. In de verte zijn de contouren van Dejima zichtbaar. Het eilandje vanwaar Nederland ruim twee eeuwen als enige westerse natie handeldreef met Japan, is letterlijk naar de achtergrond verdwenen. Gower arriveerde daags na De Graeff in Yokohama en fotografeerde daar begin juli de Tōkaidō (de hoofdweg tussen Edo en Kyōto) ter hoogte van Kanagawa. De Graeff was de eerste buitenlandse diplomaat die zich in Yokohama vestigde en fungeerde er als bemiddelaar en gastheer voor nieuwkomers. Deze havenstad was onlosmakelijk verbonden met de vroege ontwikkeling van de fotografie in Japan.

Abel Anthony James Gower, De baai van Nagasaki, met op de voorgrond de Myōgyōji-tempel en op de achtergrond Dejima, juni 1859

Aan veel van de diplomatieke, militaire, handels- en zendingsmissies die Japan in de late jaren 1850 en ’60 bezochten, waren beroeps- of amateurfotografen verbonden. Daarnaast oefende het land enorme aantrekkingskracht uit op commerciële fotografen, die inspeelden op de toenemende vraag van het Europese en Amerikaanse publiek naar beelden van ‘exotische’ oorden. In de periode dat Dirk de Graeff van Polsbroek in Japan verbleef, waren er naar schatting ruim vijftig binnen- en buitenlandse fotografen actief. Hoewel niet alle foto’s aan een maker zijn toe te schrijven, bieden De Graeffs albums een inkijkje in dat netwerk van fotografen. Met één fotograaf in het bijzonder onderhield de Nederlandse consul nauwe contacten: Felice Beato.  

Groepsportret met Dirk de Graeff van Polsbroek, kanselier J.P. Metman en J. Bloem te midden een Japanse escorte, 1863, Felice Beato 

De consul en de fotograaf

Toen Felice Beato (1832–1909) in 1863 voet aan wal zette in Japan, had hij al naam gemaakt als fotograaf. Het vastleggen van de gevolgen van de Krimoorlog (1853–1856) was zijn eerste wapenfeit op dit gebied. In het spoor van het moderne imperialisme versloeg Beato vervolgens de Britse ‘successen’ tijdens de Indiase Onafhankelijkheidsoorlog (1857–1859) en de Tweede Opiumoorlog (China, 1856–1860). Ook maakte hij in deze landen landschaps- en architectuurfoto’s, die hij in 1861 voor ‘many hundred pounds’ verkocht aan de Londense uitgever Henry Hering. Het verworven kapitaal investeerde Beato zonder succes in de aandelenhandel. Het verlies was waarschijnlijk een stimulans om zijn fotografiepraktijk voort te zetten. Het idee om daarvoor naar Japan te gaan zou afkomstig zijn geweest van zijn vriend Charles Wirgman (1832–1891), illustrator en verslaggever voor The Illustrated London News. De twee hadden elkaar in China ontmoet en openden kort na Beato’s aankomst een studio in Yokohama onder de naam ‘Beato & Wirgman, Artists and Photographers’. 

De unieke combinatie van ondernemerschap, technische vaardigheid, zijn goede oog en extraverte persoonlijkheid, maakte dat Beato uitgroeide tot de succesvolste westerse fotograaf in Japan. Ook de juiste connecties lagen aan dit succes ten grondslag. Mede door zijn contact met Dirk de Graeff van Polsbroek kende Beato’s fotografiepraktijk in Japan een vliegende start. Verschillende geschreven bronnen van tijdgenoten werpen, naast de albums zelf, een licht op de samenwerking tussen de Nederlandse consul en de Brits-Italiaanse fotograaf. Die begon vrijwel direct na Beato’s aankomst in Japan.

Het tweede album van De Graeff is het oudst bekende dat Beato in Japan maakte. Het is volledig gevuld met foto’s die hij in de tweede helft van 1863 vervaardigde. Zoals Akiyoshi Tani en Grégoire Mayor in hun Japan in early photographs aantonen, is op basis van brieven en dagboekfragmenten van de Zwitserse diplomaat Aimé Humbert (1819–1900) vast te stellen dat het tweetal begin augustus dat jaar een trip naar Edo ondernam. De hoofdstad van de shogun was voor buitenlanders off-limits. Slechts een handjevol diplomaten was bevoegd er te komen. Japan mocht dan wel zijn havens hebben geopend, maar van bewegingsvrijheid buiten die havenplaatsen was voor buitenlanders geen sprake.

Door banden aan te knopen met De Graeff verkreeg Beato dus toegang tot een stad die voor andere fotografen verboden terrein was. Bovendien beschikte Beato in Edo over het fotografisch atelier in de Chō’ōji-tempel, waar de Nederlandse legatie gevestigd was. Dit stelde hem in staat zijn negatieven – op locatie fotografeerde Beato naar eigen zeggen volgens een collodium-albumineprocedé – op voorhand te prepareren en in korte tijd relatief veel foto’s in het toen onveilige Edo te maken: in de zomer van 1863 had de binnenlandse strijd tussen voor- en tegenstanders van de opening van Japan voor buitenlandse invloeden een hoogtepunt bereikt. Welke motieven de Nederlandse consul had om de Beato mee te nemen is niet bekend, al wijzen de vastgelegde onderwerpen (residenties van leenheren en infrastructurele punten) in de richting van een strategisch doel.

Een koopman en zijn familie in zijn tuin in Hara. Uit een serie gemaakt tijdens een tocht naar de vulkaan Fuji, 1867, Felice Beato

Een aanwijzing voor een volgende samenwerking tussen De Graeff en Beato vinden we in dagboekfragmenten van Leonardus Theodorus Kleijntjes (1846–1929), secretaris van De Graeff. Daaruit blijkt dat de consul en de fotograaf tussen 3 en 9 maart 1867 een trip naar Kawasaki en Edo ondernamen en dat ook de Graeffs vrouw en zoon, Ochō en Piet, waren meegereisd. De Graeff zou Beato tijdens het fotograferen hebben vergezeld en diende voor hem ook een toestemmingsverzoek in om Hamagoten te fotograferen, het zomerpaleis van de shogun. Aan dat verzoek werd gehoor gegeven en op 7 maart nam Beato er vier foto’s. Een door Beato gemaakte fotoserie van een tocht naar de vulkaan Fuji in de zomer van datzelfde jaar, vormt vooralsnog de laatste aanwijzing voor de samenwerking tussen de Nederlandse consul en de Brits-Italiaanse fotograaf.

Foto van het reisgezelschap van Dirk de Graeff van Polsboek op een kwart van de beklimming van de vulkaan Fuji, Felice Beato

Views of Japan

De tocht naar Fuji had De Graeff in 1858 al eens gemaakt, als onderdeel van de hofreis die hij met Donker Curtius ondernam. Opvallend is de gelijkenis tussen het beeld dat De Graeff van die plaatsen in zijn dagboek oproept en de foto’s die Beato negen jaar later nam. Zo schreef De Graeff in 1858 met veel sympathie en bewondering over een rijke koopman en zijn familie, die een schitterende tuin had aangelegd. De foto die Beato in 1867 van de familie nam, voorzag De Graeff van een bijschrift waarin hij de familiebanden aangaf. Ochō vergezelde hem tijdens de tocht naar Fuji: naar alle waarschijnlijkheid is zij de jonge vrouw zittend op een houten brug over een kleine rivier op een foto die Beato maakte toen de weg naar de top van de berg er voor een kwart op zat. De foto’s in deze serie hebben in de context van het album van De Graeff dus zeer duidelijk een persoonlijke betekenis. Die betekenis veranderde toen Beato ze vervolgens, voorzien van uitgebreide beschrijvingen, opnam in zijn Photographic Views of Japan en ze als souvenirfoto’s aan het grote publiek verkocht.

Met deze albums, die Beato vanaf 1868 op de markt bracht, werd hij in Yokohama een van de grondleggers van en trendsetters in de souvenirfotografie. De foto’s in de albums verdeelde hij onder in twee categorieën: ‘Views’ (landschappen, stadsgezichten, gebouwen) en ‘Costumes’ (genretaferelen waarin een beroep, cultureel gebruik of activiteit wordt uitgebeeld). De in scène gezette foto’s benadrukten de unieke, ‘vreemde’ aspecten uit de Japanse cultuur. Tekenen van modernisering hield Beato zorgvuldig buiten beeld. De handmatige inkleuring van de foto’s door ervaren Japanse ambachtslieden uit ukiyo-e (blokdruk)ateliers, was een belangrijk onderscheidend element, net als de teksten bij de foto’s. Deze werden onder anderen geschreven door James William Murray, reisgidsauteur en vriend van Beato. Ze staan bol van de culturele vooroordelen, die door de nevenschikking van tekst en beeld worden versterkt. Met zijn Photographic Views of Japan zette Beato mede de standaard voor de beeldtaal van een volgende generatie souvenirfotografen. Van zijn studionegatieven, die hij in 1877 – zeven jaar voor zijn vertrek uit Japan – verkocht aan de Oostenrijkse fotograaf Baron Raimund von Stillfried (1839–1911) en die daarna van hand op hand overgingen, werden nog decennialang nieuwe afdrukken gemaakt.

Twee zwaarddragende Japanse beambten in westerse kleding, foto genomen in de studio van de fotograaf in Yokohama, 1866-1867, Felice Beato

De zich steeds herhalende beeldmotieven leidden ertoe dat Beato’s foto’s van grote invloed zijn geweest op de (mis)representatie van Japanse cultuur in de westerse wereld. Door de betrokkenheid bij de totstandkoming van een deel van Beato’s foto’s, gaf de Nederlandse consul dit beeld, zij het onbedoeld, mede vorm. 

Dit artikel is verschenen in Fotografisch Geheugen #118: Dejima en is geschreven door Sara Keijzer, conservator fotografie en film bij Het Scheepvaartmuseum.

Sara Keijzer is conservator fotografie en film bij Het Scheepvaartmuseum. Dit artikel is een bewerking van In het licht van de rijzende zon. De fotoalbums van Dirk de Graeff van Polsbroek, 1857–1869. Dit cahier is verschenen bij de tentoonstelling Ekō - Japan in twee beeldverhalen (Het Scheepvaartmuseum 5 maart – 30 augustus 2026) waarin de albums van Dirk de Graeff van Polsbroek worden getoond naast hedendaags werk van kunstenaar Anaïs López.  

De foto's zijn onderdeel van de tentoonstelling Ekō - Japan in twee beeldverhalen.