Het Scheepvaartmuseum heeft twee onderzoeksbeurzen. Beide beurzen zijn bedoeld voor onderzoek naar objecten in de museumcollectie. Het Dr. Ernst Crone Fellowship staat open voor gepromoveerde academici, het Prof. J.C.M. Warnsinck Fellowship voor (recent) afgestudeerde masterstudenten.

Fellows 2018

In 2018 zijn twee Warnsinck en één Ernst Crone Fellows aan de slag gegaan: Hanna de Lange, Tijmen Kohn en Erik Odegard.

Hanna de Lange

Het 17de eeuwse spiegelgevecht: scherts of ernst?
Als Zeeuwse ben ik opgegroeid met veel water in de buurt en de standbeelden van Michiel de Ruijter en Frans Naerebout als ankerpunten op de boulevard van Vlissingen. Toen ik in Amsterdam ging wonen was dat ook altijd vlakbij, aan of op het water. Ik studeerde aan de Universiteit van Amsterdam met als specialisatie de geschiedenis van het vroegmoderne nieuws. Voor mijn masterscriptie onderzocht ik het nieuws door de ogen van een zeventiende-eeuwse schutter aan de hand van zijn dagboek uit 1672-1673. 

Tijdens mijn Prof. J.C.M. Warnsinck Fellowship doe ik onderzoek naar het zogenaamde ‘spiegelgevecht’. Deze nagebootste zeeslagen werden georganiseerd om het bezoek van belangrijke personen luister bij te zetten. Abraham Storck heeft zo’n spiegelgevecht geschilderd. Deze gebeurtenis vond in 1697 plaats op het IJ ter ere van de komst van tsaar Peter de Grote.  

In mijn onderzoek wil ik ingaan op de achtergrond van spiegelgevechten. Wat waren de belangrijkste motieven om ze te organiseren en hoe kwamen ze in het nieuws? Ook in Engeland werden spiegelgevechten georganiseerd en de vraag dringt zich op welke rol ze speelden in de competitie tussen de Republiek en Engeland. Waren ze een afspiegeling van de echte zeeslagen, of speelden andere motieven mee?

Abraham Storck, Spiegelgevecht op het IJ ter ere van het bezoek van tsaar Peter de Grote van Rusland, 1 september 1697, olieverf op paneel (1700). Collectie: Het Scheepvaartmuseum Amsterdam

Thijmen Kohn

De mensen aan boord van motorschip Oranje
Als pas afgestudeerd maatschappijhistoricus ben ik enthousiast begonnen aan mijn Warnsinck Fellowship: onderzoek naar de sociale omstandigheden voor repatrianten aan boord van de Oranje. Het schip zou eigenlijk op de lijndienst Amsterdam-Batavia ingezet worden, maar nadat de Tweede Wereldoorlog uitbrak deed de Oranje vier jaar dienst als geallieerd hospitaalschip. Daarna was er aan boord weinig over van de grandioze uitstraling van voor de oorlog. In deze staat maakte de Oranje voor de Nederlandse overheid in zeer korte tijd een zestal repatriëringsreizen, terwijl in Indonesië de strijd voor onafhankelijkheid woedde.  

Ook na 1947, toen de Oranje weer volledig voor rekening van de SMN ging varen, was de vraag naar passage van Indië (terug) naar Nederland onverminderd groot: in de periode 1945-1959 heeft het schip dan ook veel repatrianten aan boord gehad. Hoe ervoeren zij het om terug naar Nederland te moeten? Wie zaten er eigenlijk aan boord van de Oranje, en waren er daarbij verschillen met andere repatriëringsschepen? Was er daarnaast een verschil in prijs, klasse en luxe tussen de repatrianten, en wat vertelt ons dit over de koloniale verhoudingen? Met de collectie van Het Scheepvaartmuseum als uitgangspunt, maar ook de nodige uitstapjes naar het Nationaal Archief in Den Haag en een belangrijke rol voor egodocumenten en interviews, ga ik deze onderzoeksvragen proberen te beantwoorden.

Erik Odegard

Bronnenuitgave van de Eerste Schipvaart der Nederlanders naar Oost-Indië, 1595-1597
Ik doe het komende jaar onderzoek naar manuscripten van de Eerste Schipvaart van 1595-1597. Ik ben afgelopen januari gepromoveerd aan de universiteit van Leiden op een onderzoek over de carrièrepaden van koloniale gouverneurs in de zeventiende eeuw. Nu duik ik in de manuscripten van Het Scheepvaartmuseum, een collectie die uniek is omdat veel van de stukken betrekking hebben op de (wetenschappelijke) voorbereiding van de eerste Nederlandse tocht naar Azië. Om een succesvolle reis te ondernemen moest men van tevoren een beeld proberen te krijgen van een aantal zaken. In de eerste plaats was er een navigatieprobleem. Hoe kon men op het zuidelijk halfrond navigeren en wat voor stromingen, winden en dergelijke waren in de Indische Oceaan te verwachten? Hiervoor was spionage van groot belang, de Portugezen hadden deze problemen immers al opgelost. Daarnaast waren er vragen van meer commerciële aard: wat werd in welke havens verkocht en waar was in Azië vraag naar? Tenslotte wilde men ook weten wat voor tegenstand van de Portugese Estado da India te verwachtten was en hoe men Portugese machtscentra kon omzeilen. Doel van mijn fellowship is te komen tot een volledige bronnenuitgave van de documenten. Hiervoor zal ik de aanwezige transcripties van de stukken nalopen en waar nodig aanvullen of aanpassen. 

Nieuwsbrief

Op de hoogte blijven van het laatste nieuws en tentoonstellingen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!

Het Scheepvaartmuseum maakt gebruik van cookies. Meer weten? Lees onze cookieverklaring.